La femme fantôme – deel 1.7 Valentijnsdag

1.7 Valentijnsdag
 
‘Ana wilde niet dat je bij haar sliep?’
‘Nee.’
‘Omdat je snurkte?’
‘Dat was een mooi excuus. Ik zou ook niet naast een snurkende vrouw willen slapen.’
‘Maar?’
 
‘Ze wilde niet dat iemand zag hoe bang ze was.’
‘Waar was ze bang voor?’
‘Voor de nacht. Ze was uitgeput, maar ze was te bang om te gaan slapen.
Ze zwief door de stad, of over het Internet.

We dronken heel erg veel wijn, tot diep in de nacht.
Als ik naar bed ging, zei ze dat ze nog een Ardbeg nam. Urenlang draaide ze Laurie Anderson.’
 
‘Soms ging ze weg als ze hoorde dat ik sliep.
Dan schrok ik wakker van de deur die ze zachtjes in het slot trok.
Op een morgen kwam ze terug na een zwaar onweer.
Ze was doorweekt. Haar tepels priemden door haar nachthemd.
Het was alsof ze slaapwandelde. Ze zei niets. Ze leek niets te horen.
Voor de blik in haar ogen heb ik nooit een woord gevonden.
Een half uur had ik naar haar lopen zoeken. In de stromende regen. Er was niemand op straat geweest.
Nat en koud was ik weer in bed gekropen. Radeloos.’
 
‘Ze rilde en dronk whisky.’
“Neem een slaappilletje.” zei ik. “Als je niet slaapt, is alles tien keer erger.
Je moet gewoon slapen.”
“Ik heb geen pillen”, zei ze.
“Ik heb wel iets”, zei ik. “Iets onschuldigs, zonder recept.”
‘Ze wilde er niets van weten.’
“Leg dan een slaappilletje bij je bed”, zei ik. “Met een glas water ernaast.
Je hoeft het niet te nemen. Maar het idee dat je het kunt nemen, helpt je misschien te slapen.”
‘Ze keek me aan en schudde haar hoofd. Elke maand verrekte ze van de buikpijn,
maar een asprientje nam ze niet.’
 
‘Wat had ze tegen pillen?’
‘Ze heeft het nooit met zoveel woorden gezegd, maar ik denk dat ze ooit verplicht medicijnen heeft moeten slikken.’
‘Aha. Ja, dat kan.’
 
‘En dan?’
‘Dan wat?’
‘Hoe gingen jullie dan verder? Na zo’n nacht.’
‘Ik werd wakker van het ruisen van Ana’s kamerjas. Zijde.
Als een ballerina stapte ze over me heen. Op haar tenen liep ze naar de keuken.
Dan hoorde ik het geluid van de elektrische koffiemolen. Een wekker.
De geur van vers gemalen bonen.
We zaten aan de grote houten tafel en keken naar de snaterende eenden buiten.
Koffie en een boterham met hagelslag.’
 
“Nu weet je het hè?”, zei Ana. “Nu ga je weg hè?”
“Nu weet je het hè? Nu ga je weg hè?’
 
‘Dat zei ze?’
‘Ja, dat zei ze.’
‘En dat herhaalde ze?’
‘Ja, ze herhaalde het. Als een mantra.’
 
‘En wat zei je dan?’
‘Ik zei dat ik haar misschien ooit wel eens zou verlaten. Maar niet naar aanleiding van deze nacht.
Om iets anders misschien. Iets wat we nog niet vermoedden.’
‘Zoals wat?’
‘Geen idee, ik was niet van plan bij haar weg te gaan.’
 
Ik stond op en liep naar het raam.
Het raam kon niet open. Buiten was het lente.
Ik keek naar beneden. Op de binnenplaats stonden twee grote kersenbomen.
De een was wat verder in knop dan de ander.
Nog twee weken, dan zouden ze in bloesem staan.
 
De kliniek moest wel zijn gebouwd op de plek waar ooit een boomgaard had gestaan.
Het gebouw is spiksplinternieuw, de bomen zijn oud.
Nog twee weken, dan komen de zwaluwen.
Elk jaar wachtte ik vol spanning op hun komst. Ze kwamen nooit samen.
En nooit kwamen ze voordat de kersenboom in bloei stond. Een roze fakkel naast de stal.
De zwaluw die als eerst arriveerde, zat soms dagenlang te wachten. In de kersenboom.
Dan opeens. Gekwetter. Een hereniging.
Ze sliepen naast elkaar. Op een tak tussen de bloesemblaadjes.’
 
‘Speel je piano?’, vroeg ik.
‘Ja.’
‘Ana ook.’
Ik draaide me om, en ging in de vensterbank zitten.
 
‘Toen we elkaar pas kenden, hadden we ruzie.’
‘Waarover?’
‘Nergens over. Het ging nergens over. Nou ja. Dat dacht ik.
Twee weken later mailde ik Ana dat ik rommelmarkten af ging struinen. Of ze meeging.’
‘Jullie hadden elkaar twee weken niet gesproken?’
‘Ja.’
‘Wat zei ze?’
‘Ze mailde terug dat ze meeging.
Later vertelde ze me dat ze net thuis was toen m’n mailtje binnenkwam.
Ze was bij een man blijven slapen. Haar kleren had ze net in de was gedaan.
Het was Valentijnsdag.’
 
‘Aan het eind van de middag zat m’n kever vol meubeltjes en keukengerei.
Een botervloot en een porceleinen zeepbakje. En een Le Creuset braadpan.
Ze spaart Le Creuset pannen, wist je dat?’
‘Nee, dat wist ik niet.’
‘Kon je ook niet weten. Ze spaart ze voor haar cateringbedrijf.
Zó blij was ze ermee. Het was nog net geen paar vintage-schoenen, maar het scheelde niet veel.’
 
‘Achterin een loods vonden we het binnenwerk van een piano.’
‘Het klavier?’
‘Nee, niet de toetsen, alleen de hamertjes en de heveltjes.’
‘Oke.’
‘De hamertjes zijn beplakt met vilt, het zijn net kaarsjes. Kaarsjes met een vilten vlammetje.’
‘Ja, ik weet het. Ik weet hoe de hamertjes eruit zien.’
‘Ik heb er een kerstboom van gemaakt, met 88 kaarsjes.’
 
‘Het hele mechanisme was ingeklemd tussen twee gietijzeren frames.
Die zitten in bijna elke piano, trouwens. Wist je dat?’
‘Nee.’
‘Eentje lin
ks en eentje helemaal rechts.

Het zijn net vogels, met een kop en met een staart.
Toen ik het binnenwerk had gesloopt, bleven de frames over.’
‘Oke.’
Er bleven ook twee stalen beugeltjes over.
Met een beetje goede wil kon je daar de vleugels in zien.’
 
‘Ik heb er een beeld van gemaakt. De twee gietijzeren vogeltjes, dicht tegen elkaar aan.
Twee zwaluwen met samen twee vleugeltjes.
Beiden vleugellam. Op elkaar aangewezen.
Ik schroefde het beeldje op een dode tak in de kersenboom.
Soms zaten er echte zwaluwen naast, op dezelfde tak.
Vanwege de onderdelen heb ik het beeldje Felicita Piana genoemd. Stil Geluk.’
 
‘De kersenboom ging dood.‘
‘Kwam dat door het beeldje?’
‘Nee. De boom was oud. En ziek.’
‘In het voorjaar heb ik ‘em omgezaagd. Nu staan er frambozen. Ook lekker.’
‘En het beeldje?’
‘Dat heb ik aan Ana gegeven. In bruikleen.
Ze vond het mooi, en ze vroeg of ze het mocht hebben.’
 
‘Ik heb het op een meerpaal geschroefd, naast haar tjalk.’
‘Zitten ze daar nog, die zwaluwen?’
‘Nee, ze zijn weg. Waarschijnlijk zijn ze door de klap van de explosie van de paal geblazen.
Misschien ligt het beeldje wel op de bodem van de Hoge de A.’

Laurie Anderson – Bright Red
‘Did she fall, or was she pushed?’
http://www.youtube.com/watch?v=XdeeAMZA2fg
 
 
 

This entry was posted in VKblog and tagged , , . Bookmark the permalink.

8 Responses to La femme fantôme – deel 1.7 Valentijnsdag

  1. lebonton says:

    Wat zei ze?’
    ‘Ze mailde terug
    dat soort dingen.
    fraai.

  2. Zelfstandig Journalist says:

    Ana die zwerft door de nacht. Rusteloos verhaal.

  3. Vogel-vrij says:

    @lebonton
    [Mis]communicatie kan soms wonderlijke vormen aannemen.
    Thnx.
    @Zelfstandig Journalist
    Rusteloos inderdaad.

  4. Vogel-vrij says:

    @Op zoek naar morgen
    Er heeft jarenlang een schilderij van Patrick van Caekenbergh naast m’n bed gehangen.Stil geluk heette het.
    Daar stonden twee zwaluwen op die innig op een koord zaten.Felicita Piana was snel gevonden.

  5. Barbara Jansma says:

    Alsof mensen soms andere mensen nodig hebben om tot grote hoogten of diepten te komen.
    Die vogels van pianozijkanten zijn mooi trouwens. Die doen alles ertussenin.

  6. svara says:

    ……..om iets anders misschien…..om wat we nog niet vermoedden.
    subtiel

  7. Vogel-vrij says:

    @BarbaraHimmelhoch jauchzend, zu Tode betrübt.
    Ana heeft in ieder geval het beste in mij naar boven gebracht, al zou ze het er misschien niet mee eens zijn geweest, dat ik dit zeg.
    Maar ze is en blijft een muze.
    Wat het haar heeft gebracht zal ik nooit weten.
    @svara
    Zo is het ook gegaan.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s