La femme fantôme

Deel 1.0 – Gas

Toen ik TBS en dwangverpleging kreeg opgelegd,
was voor mij de maat vol.
Ik moest weer gaan praten. Ik moest een einde maken aan deze waanzin.
Nooit heb ik iemand verteld wat er werkelijk is gebeurd. Het is een kansloos verhaal.
Niemand zou me geloven. Toen niet, en nu niet.

De rechter achtte het wettelijk en overtuigend bewezen dat je door wurging om het leven bent gebracht, en dat ik je met je hoofd in de SMEG oven heb geschoven.
Niemand zou hebben geloofd hoe het werkelijk is gegaan.
Wat deed het er ook toe? Je was er niet meer. Wat maakte het uit hóe je was verdwenen.
Ook nú zal niemand me geloven.

‘Tjalk ontploft in Groningse binnenstad’
Het was zelfs op het Journaal die avond, en later in een actualiteitenrubriek.
Vragen over de veiligheid van gas in het algemeen, en gas-aansluitingen op woonschepen in het bijzonder.
Deskundige zus en deskundige zo. ‘Een ongeluk zit in een klein hoekje…’
Een ongeluk… ja, dat dachten ze toen nog….
De knal schijnt tot op de Grote Markt te horen te zijn geweest; de vlam stak uit boven het topje van de mast.

De gouden vis, de vaan, die ik bovenop je ODYSSEE had gemonteerd, was deels verbrand, deels geschroeid.
Door de hitte was de goudverf gaan bobbelen. Blaasjes, net schubben.
Maar dat zag ik jaren later pas.

We hadden elkaar op het Internet leren kennen, via een dating-site.
Ik was niet op zoek naar jou, en jij was niet op zoek naar mij.
Ik was niet op je voorbereid, en ik had niet verwacht je hier tegen te komen.
Om eerlijk te zijn, ik was alleen op zoek naar afleiding en sex.
Maar daar stond je. Tussen honderden wanhopige profielen. Anastasia.
Als ik je op een feestje was tegengekomen, was ik je blind voorbij gelopen.
‘Niet mijn type’, zou ik hebben gedacht. Eigenlijk zou ik helemaal niets hebben gedacht.

Je lichaam is nooit gevonden.
Eerst dachten ze dat je door de klap naar buiten was geslingerd. De kajuitdeur belandde halverwege de steeg aan de overkant. Dus waarom zou ook jij daar niet ergens terecht gekomen kunnen zijn?
Je kon overal zijn, met je ranke postuur en de fysiek van een marathonloopster.
Ondanks je één meter negenenzeventig zal je niet meer dan vijftig kilo hebben gewogen.
Het leek te wemelen van de kikvorsmannen. Twee dagen heeft de brandweer naar je gedregd.
in het winterwater van de Hoge der A.

De uitvaart moet een vreemde gewaarwording zijn geweest. Zo zonder kist.
Nou ja, het was meer een herdenkingsdienst, schijnt. Ik was er niet bij, ik zat toen al vast.
Je katten zijn ook nooit gevonden.

Deel 1.1 Koffie

Op het moment dat ik haar spreekkamer werd binnengeleid wist ik nog niet wat ik zou gaan zeggen.
Ik had een briefje geschreven aan m’n behandelend arts, dat ik er aan toe was om te praten over wat er was gebeurd.
Ik wist niet welke kant m’n verhaal op zou gaan. Dat maakte ook eigenlijk niet uit..
Het ging er niet om wat ík geloofde. Het zou er van nu af aan alleen nog maar om gaan wat zij zou kunnen geloven.
Begin vijftig, ze zag er verzorgd uit, dat wil zeggen, ze zag er uit alsof ze goed voor zichzelf zorgde.
Geheel in het zwart. Zwartleren muiltjes.
Nieuw. De geur van leer.

De eerste keer dat Ana bij me kwam eten, wilde ik iets aardigs zeggen,
iets over de schoenen die ze aan had.
‘Gerse hoeven’ zei ik.
Ik realiseerde me niet dat Rotterdamse straattaal niet was doorgedrongen tot het hoge Noorden, en dat ook nooit zou doen. Ze hebben hier hun eigen taal.
Maanden later hoorde ik dat ik haar had gekwetst. ‘Alsof ze een paard was…’
Hoezeer kun je verschillen… for God’s sake het was een compliment.

Dit was de psychiater waar ik het mee moest doen… Ik had haar wel eens gezien in een praatprogramma.
Ze lag zwaar onder vuur, toen. Een TBS-er was er op proefverlof vandoor gegaan.
Hij zat vast wegens het slachten z’n vriendin. De Hollandse Hannibal werd hij wel genoemd.
Na z’n ontsnapping had hij geprobeerd een vrouw de keel door te bijten.
De presentator van de actualiteitenrubriek maakte een foute grap.
‘Of het wel verstandig was geweest om iemand die kennelijk van mensenvlees hield op proef–verlof te sturen?’

Ik vond het wel een grappig eigenlijk, en met mij velen, denk ik. Maar heel omroepend Nederland viel over hem heen.
Hij werd voor onbepaalde tijd geschorst … Nooit hebben we z’n guitige kop meer terug gezien op de buis.

Het ging alleen nog maar om die foute opmerking -en hoe kwetsend dat wel niet was geweest voor de nabestaanden. Niet over de gotspe om een kannibaal met verlof te sturen.
Ze was er goed van afgekomen.. en ze zag er goed uit. Een mooie vrouw.

Wat zou haar eerste vraag zijn? Wat zou een psychiater denken als een veroordeelde cliënt na een jaar opeens iets te zeggen heeft?
Spijt?
Als ze vraagt hoe ik m’n koffie gebruik, zal ik zeggen: ‘Zwart, zo zwart als m’n ziel’,
en ik zal er bij lachen.

‘Koffie?’, vroeg ze. Ik knikte.
Hoe vaak had ik niet op blote voeten twee espresso’s gemaakt en twee eierkoeken met boter besmeerd, om dan weer onder het dekbed te kruipen en Ana’s warmte te voelen.
Haar te plagen met m’n koude voeten. Altijd was ze warm, maar zonder ooit te zweten.

Ze zette twee kopjes op tafel, een schaaltje met suiker en cupjes melk ernaast.
Ze zat tegenover me en roerde, haar ziel niet zo zwart als haar kleding.
Ze keek op van haar koffie.
‘Jullie hebben heel erg veel van elkaar gehouden, nietwaar?’
‘Ja’, zei ik zonder aarzeling. ‘Ja, ik hield zielsveel van haar.’
‘Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’

‘Ana is kok, dat weet je?’
‘Ja, dat weet ik.’
‘De eerste keer dat ik haar zag was op een bruiloft.
Ze verzorgde de catering.
Ze was met een man toen, ik dacht dat het haar vriend was.
Pas later die dag kwam ik erachter dat het ex was.
Het was de laatste keer dat ze iets samen deden.
Ze werkten fantastisch samen, organisch, een dubbel.’

‘Na die dag hebben ze elkaar nooit meer gezien of gesproken…
Kun je je dat voorstellen?
Met z’n tweeën deden ze de catering voor tachtig man. Alles biologisch.
Het was allemaal even lekker, echt heerlijk.
Alleen de vegetarische schotel was aangebrand, hoorde ik.
In de keuken van het koetshuis waren alleen inductieplaten.
Klote-inductie. Geen groot gasfornuis zoals op haar tjalk.’

‘Ik was op slag verkocht. Een rijzige vrouw met fonkelende ogen.
Ik denk niet dat ze me heeft gezien, toen.
Voor haar was ik slechts één van de genodigden.
Ze had het druk. Zij was de chef; hij het koksmaatje.
Wat een power. Ze spraken nauwelijks.’

‘Laat op de avond, toen de gasten vertrokken, bracht ik wat dessertschalen naar de spoelkeuken.
Ik hoorde hem op gemaakt vrolijke toon vragen hoe het met haar Internet-dates ging.
‘De laatste loodjes’, zei ik, en zette de panna-cotta-schalen op het aanrecht.
Heel even hadden we oogcontact.’

‘Ze bedankte me.
Toen ik de keuken uitliep, en omkeek, stond ze al weer met haar rug naar me toe, theedoek over haar schouder. Het lichaam van een atlete, gespierd, vrouwelijk.
Billen zoals God ze ooit bedoeld moet hebben.
Internet dus. Dit was haar ex.’

‘De volgende dag heb ik me ingeschreven bij twee dating-sites en ik ben gaan zoeken.
Via de bruid, die ik complimenteerde met het geslaagde feest en het voortreffelijke eten,
kwam ik erachter hoe ze heette, en dat ze in Groningen woonde.
Ik vond ik haar op Relatieplanet. Mijn profiel heb ik aangepast aan dat van haar.’

‘Hey Ana, heb ik jou niet eerder geproefd? Op een bruiloft, vorige week?
Het smaakte naar meer.’
‘Wat een trieste openingszin, hè? Maar het werkte wel. Zo is het begonnen.’
‘Reageerde ze direct op je berichtje?’
‘Ja, we hebben de eerste avond al tot diep in de nacht zitten chatten.
Ana is echt een nachtmens, dat krijg je als je kok bent.’

‘En jij? Ben jij ook een nachtmens?’
Ana’s tjalk is in het holst van de nacht ontploft.
‘Ach, als het gezellig is blijf ik wel wakker, maar normaal lig ik er toch wel na de actualiteiten en het late nieuws in. Actualiteiten volg ik altijd.’
Heel even keek ze me aan, of eigenlijk niet. Ze boog haar hoofd iets voorover, zoals een juf doet die je streng wil aankijken over de rand van haar bril. Maar ze keek er niet overheen, en ze keek niet door het glas, waarschijnlijk keek ze een moment slechts tegen de binnenkant van het montuur aan.
‘Wist Anna dat jullie elkaar zo hebben ontmoet?’
‘Nee, ze heeft er nooit naar gevraagd, en ik heb het haar nooit verteld. Je kunt ook te eerlijk zijn.’

Deel 1.2 Dromen

‘Geloof je in leven na de dood?’
‘Nee.’
‘Geloof je in reïncarnatie?’
‘Nee. Jij?’
Ze glimlachte.
‘Als Anna wel in reïncarnatie zou hebben geloofd, wat zou ze nu dan zijn, denk je?’
‘Goeie vraag…’
Echt een goede vraag, waarop ik geen antwoord wist.
‘Ik weet niet wát ze zou zijn. Wel wáár ze zou zijn.’
‘Waar zou ze nu zijn, dan?’
‘In Frankrijk, Zuid-Frankrijk.’
‘Zuid-Frankrijk?’
‘Ja, de Provence. Ze heeft daar een antieke caravan op een verlaten camping.’
‘Dat heb ik gelezen, ja. Maar daar ben jij toch nooit geweest?’
‘Jawel, ik ben er één keer geweest, twee weken.’
‘Maar ik had begrepen dat jullie daar nooit samen zijn geweest?’
‘We hebben er twee weken doorgebracht.’
‘Aha.’
Vraag me een willekeurig detail, en ik zal je vertellen hoe het er daar uitzag.’
‘Ik geloof je.’

‘Ik wilde er eigenlijk niet heen. Drie weken samen in the middle of nowhere.
‘Le Camping du Chemin de Prés’. Het was me teveel van het goede, ik durfde het gewoon niet.
Ze is er toen in haar eentje heen gegaan, zo van ‘bekijk het maar’.
Een week later ben ik haar achterna gereisd, zonder dat ze wist dat ik zou komen.’

‘Oke. Geloof je in dromen?’
‘Ja. Ja, ik geloof in dromen.’
‘Droom je wel eens over Anna?’
‘Ja, elke dag.’
‘Ik bedoelde eigenlijk meer ’s nachts.’
‘Ja, dat snap ik wel.’

‘Droom je ’s nachts wel eens van haar?’
‘De eerste avond dat ze bij me kwam eten heb ik van je gedroomd.
Ik lag al in bed toen ze sms-te dat ze veilig thuis was.
Midden in de nacht werd ik wakker, en ik wist wat ik had gedroomd.
Met een ander zou het een nachtmerrie geweest, maar met haar was het prachtig.
Ik ging naar de WC en kroop weer in bed.’

‘Ik moet dit opschrijven’, dacht ik, maar ik sliep alweer half.
Ik wist dat ik het de volgende morgen kwijt zou zijn,
en dat ik me het beeld niet zou kunnen herinneren,
hoezeer ik ook m’n best zou doen.

Halfslapend vond ik een oud oogpotlood in het wastafelkastje.
Het potlood wat te grof om mee te schrijven.
Daarom heb ik een schets gemaakt. Aan de binnenkant van het boek dat op m’n nachtkastje lag.
Ana, zwanger en naakt, met grote borsten en een dikke buik.
Ze liep een marathon achter een lege kinderwagen.

Ik wilde helemaal geen kinderen, en Ana ook niet.
Toch was het een mooie droom.
Het boek heb ik vorige maand pas uitgelezen.’

‘Droom je nog wel eens van Anna?’
‘Ja, ik droom wel eens dat ik wakker schrik, en dat ze er niet is.
Dat ze niet naast me ligt.’
‘Waar is ze dan?’
‘Weg.’
‘Weg?’
‘Ja. Gewoon weg.’

Deel 1.3 Angst

‘Hoe zou je Anna willen typeren?’
‘Ik wil haar helemaal niet typeren.’
‘Je weet wel wat ik bedoel. Wat vond je bijzonder aan haar, wat boeide je?’
‘Alles.’
‘Tja.’ Ze kon een glimlach niet onderdrukken. ‘Er is toch wel een woord dat je te binnenschiet als je aan haar denkt?’

‘Ja. Rücksichtlos.’
‘Ze was rücksichtlos?’
‘Ja.’
‘Hard?’
‘Nee.’
‘Kil?’
‘Nee.’
‘Wat dan?’
‘Rücksichtlos. In de meest letterlijke betekenis van het woord. Ze kijkt niet om.’

‘Ana fotografeert, wist je dat?’
‘Nee.’
‘Ik wist het ook niet. Ik wist zoveel niet.
De eerste keer dat ik haar zag fotograferen, dacht ik: ‘Dit kan niets worden.’
Zo terloops als ze scherp stelde en afdrukte. Nonchalant bijna.
We maakten een wandeling. Haar hardlooprondje.
Wat kende ik haar nog slecht toen. Maar wat vond ik haar leuk.
Ze wilde eigenlijk niet dat ik kwam. Ze zat in de put, zoals ze nog zo vaak in de put zou zitten.
Geen behoefte aan gezelschap.
Toch hebben we gewandeld, en Ana maakte af en toe een foto.’

‘Onder het spoorviaduct stonden een puberige jongen en een puberig meisje met een scooter.
Waarschijnlijk de eerste relatiecrisis uit hun leven.
Het was aandoenlijk. Maar ook heel echt.
Het meisje reed weg op haar scooter, de jongen ging achter haar aan en probeerde haar op andere gedachten te brengen.’

‘We keken allebei naar het tafereel.
‘Ttsssss. Dat doe je toch niet’, zei Ana.
‘Wat niet?’, vroeg ik. Ik wist écht niet wat ze bedoelde.
‘Er achteraan gaan.’
‘Niet? Ik zou dat wel doen’, zei ik.
Ze schudde haar hoofd. ‘Tuurlijk niet.’
Daar en toen besefte ik dat als ik haar ooit door m’n vingers zou laten glippen,
ik haar nooit meer terug zou kunnen winnen.’

‘Was je bang voor Anna?’
‘Bang? Nee ik was niet bang voor Ana. Ik bewonderde haar. Ze is een muze.’
‘Oke.’
‘Ik was niet bang voor Ana. Wel voor haar angst.’
‘Bang voor háár angst?’
‘Ja. Ken je het dat je de slappe lach krijgt als je iemand anders in een stuip ziet liggen?’
‘Een stuip van het lachen?’
‘Ja. Dat je bijna in je broek plast, enkel en alleen om de ander niet meer bijkomt van het lachen.’
‘Ja, ik begrijp wel wat je bedoelt.’
‘Nou, zo dus.’
‘Nu geloof ik dat ik even niet begrijp wat je wilt zeggen.’
‘Je bent toch psychiater?’
‘Ja.’
‘Je hebt toch wel eens een psychose meegemaakt?’
‘Ah, bedoel je dat. Anna had ongecontroleerde angstaanvallen?’
Ik knikte.
‘Daar is me niets van bekend.’

Ik stond op.
‘Wat weet je eigenlijk wel van Ana?
Ik wil graag naar m’n kamer.’
‘Oke.’
‘Het waren prachtige foto’s.’

Deel 1.4 Aluminium

‘Je hebt een beeld van haar gemaakt?’
‘Ja.. een meermin… van aluminium.’
‘Waar staat dat beeld nu?’
‘Het staat niet, het hangt. Het hangt in een olijfboom.
Ik vertelde je dat Ana een antieke caravan heeft, zo’n streamliner, ook van aluminium.
Het beeld hangt bij de beek, aan een tak.’
‘In Frankrijk dus..?
‘Ja, in Frankrijk.’
‘Waarom hangt het daar?’
Het hangt daar omdat ik heb het dáár heb gemaakt. Op de terugweg paste het niet meer in de auto.’
‘Een groot beeld dus?’
‘Niet héél groot, net zo groot als Ana, zij heeft er voor geposeerd.
Ze had wel vaker geposeerd, ze heeft ook zo’n prachtig lichaam.’

‘Ik wilde iets te doen hebben op dat afgelegen terrein. Toen ik besloot toch naar La Deaume af te reizen, heb ik m’n auto volgeladen met aluminium onderdelen. Potten, pannen, een aluminium ladder, bakken vol klinknagels, van alles…. Als het maar van aluminium was.’
‘Hoe kwam je aan al dat aluminium?’
Een gedeelte heb ik bij het vuil gevonden. Maar er zaten ook oude pannen tussen van de rommelmarkt. Tijdens de verhuizing vond ik de hele verzameling aluminium onderdelen terug op zolder.’
‘Waarom ben je toch naar Frankrijk gegaan?’
‘Ik miste Ana. Ze is m’n muze.’

‘Ana kan de hele dag in haar blootje liggen lezen en zonnen, maar ik moet gewoon iets te doen hebben. Iets met m’n handen. Ik wil iets kunnen maken… Lezen lukt me gewoon niet in die hitte.’
‘Heb je haar liggend afgebeeld?’
‘Nee, hangend, het beeld hangt toch.’
‘En hoe heeft Anna er dan voor geposeerd? Ook hangend?’
‘Ja, hangend.’
Ze keek me vragend aan.

‘Ik smeerde haar helemaal in met zonnebrandolie, ze mocht niet verbranden.
Dan hing ik haar op. Eén keer is ze daarbij bijna uit m’n armen geglibberd….
Zodra ze hing, ging ik verder met het beeld.’

‘Was dat niet ontzettend onprettig voor Anna?’
‘Ja… Ja, het was heel zwaar voor haar. Ik moest steeds denken aan een rituele kruisiging.
Passiespelen.
Maar ze wilde het zelf zo. Het was háár idee om zo te poseren.
Ik had het zeemeerminnetje uit de haven van Kopenhagen in gedachten. Maar dat vond Ana helemaal niets. Daar had ze geen zin in. ‘Dat was al zo vaak gedaan’, zei ze.
En daar had ze gelijk in..
Het was verbazingwekkend hoe lenig ze was, hoe atletisch.
Ze poseerde niet elke dag, maar als ze had geposeerd, rende ik steevast een rondje over het verlaten kampeerterrein. Een naakte Ana in m’n armen of over m’n schouder. Daarna masseerde ik haar, zolang ze wilde. Totdat ze wilde vrijen.’

‘Kun je beschrijven hoe het beeld er uit ziet?’
‘Zie je dat niet voor je?’
‘Nee, ik zie het niet voor me. Zie jij een beeld al voor je, op het moment dat je er aan begint?’
‘Ja, ik weet wat me te doen staat als ik ergens aan begin.’
‘Maar je hebt een ander beeld gemaakt dan je eigenlijk van plan was…’
‘Ja, een ander beeld. Beter.’
‘Hoe ziet het er uit?’

‘Het is een zeemeermin. Verstrikt geraakt in een net.
Ze hangt. Een vislijn rond haar nek.’

‘Ik heb de trapleer van boven naar beneden doorgezaagd. De helften zijn in spiegelbeeld aan elkaar geklonken, als een wervelkolom. Halve sporten als graten.
Een snelkookpan als hoofd.
De kap van een tikmachine vormt de schouderpartij. Brede schouders. De schouders van een zwemster.
Heb je ooit wel eens een beker gewonnen bij een sportwedstrijd vroeger?’
Even dacht ze na.
‘Nee, ik was niet zo sportief.’
‘Je weet wel, zo’n sportprijsje waar je verschrikkelijk trots op was.
Een marmeren blokje als voet… Een metalen plaatje, met daarop wat je had bereikt,
scheef op het sokkeltje geplakt. ‘3e prijs Paasvoetbaltoernooi 1974’’
‘Ja, ik zie het voor me.’
‘Nou, twee van die bekers dus. De metalen kelken als ogen…
Geen neus. De restruimte als mond.’
‘Heb je twee keer een prijs gewonnen met sporten?’
‘Nee nooit.’
‘Waren die bekers van Anna?’
‘Nee, ik heb ze in Delft op straat gevonden. ‘s Nachts, een doos vol sportprijzen. Glimmend van de regen. Twee bleken er van aluminium. Gepolijst. De rest was verchroomd blik.
Toen ik ze terugvond op zolder waren ze verweerd, sommigen zelfs geroest.
Twee glommen er nog.
Een glimmend Paasvoetbaltoernooi, en een glimmende halve marathon langs het strand van Egmond, twee jaar geleden. De rest roest langzaam weg.’
‘Wie had al die prijzen gewonnen?’
‘Geen idee. Het stond nergens op…. Het zou te achterhalen moeten zijn, als je zou willen….
Ik heb het me wel afgevraagd, en ik heb vaak gefantaseerd over het verhaal achter die nachtelijke vondst. Maar ik heb er nooit werk van gemaakt.
Het heeft iets tragisch zo, iets geheimzinnigs… daarom heb ik de bekers ook steeds meeverhuisd.’

‘Het beeld?’
Ja, het beeld. Het is gestileerd, kubistisch bijna. Nou ja, cilindristisch dan eigenlijk. Zoals ik al zei, het bestaat voornamelijk uit potten en pannen. Twee grote bloemenvazen als borsten.’
‘Anna had toch een heel afgetraind lichaam?’
‘Ja… maar ik had die twee vazen nu eenmaal. Je kan er een flinke bos bloemen in kwijt..
De ene vaas heb ik ooit zelf gekocht, de ander was van m’n ex. Hij lag op zolder; ik mocht ‘em hebben.
De staartvin heb ik gemaakt uit een halve perforator en een rakel.’
‘Een rakel?’
‘Ja, een rakel, om te zeefdrukken, was ook van m’n ex. De staart zelf is niet meer dan de gespiegelde ladder.’

‘Maar….hoe maak je de overgang tussen lichaam en staart?
Weet je hoe dat eigenlijk zit bij een zeemeermin? Wel eens over nagedacht?’
Ze dacht even.
‘Nee, nooit over nagedacht. Hoe heb je het opgelost?’

‘Wist je dat Ana roeide toen ze studeerde?
‘Nee.’
‘Ze is altijd al pezig geweest…., rank maar gespierd.
Toen ze met wedstrijdroeien stopte, werd ze gevraagd als stuurvrouw bij de acht.
Ervaren, gedreven.…maar vooral licht.
Ze is jarenlang stuurvrouw geweest… daarna coach van een vier en van een dubbel.
Op een dag had ze een lekke band… Die middag rénde ze langs de baan.
De scheepstoeter met aanwijzingen in haar hand.
Zo is ze met hardlopen begonnen. Ze coachte en liep hard, zo hard als een vier.’

‘Toen ik haar vertelde dat ik een aluminium beeld wilde maken, en vroeg of ze voor me wilde poseren, zei ze gelijk ‘ja’.
Ze had al vaker geposeerd; ze heeft ook zo’n prachtig lichaam.
Een week later bracht ze haar scheepstoeter mee.
‘Deze is ook van aluminium, geloof ik’, zei ze. ‘Ik gebruik ‘em toch niet meer.’

Zonder die toeter had ik het beeld niet kunnen maken.
Het vormt de overgang van haar lichaam naar haar staart.
Een cloaca. Zó zit dat dus bij een meermin…
Kut en kont ineen. Géén heerlijke billen, zoals Ana.’

‘Hangt het beeld van Anna nog in La Deaume?’
‘Ik denk het wel..’

‘Weet je wanneer een beeld af is? Of twijfel je er wel eens over of je er nog iets aan zal doen?’
Goed gevonden…
Het scheppen van een beeld als metafoor voor een relatie. En.. of ik wel weet wanneer het voorbij is…of ik wel kan loslaten.
‘Ik weet wanneer ik klaar ben. Net zo goed als ik weet wanneer het tijd is om aan iets nieuws te beginnen.’
‘Was je tevreden toen het beeld af was?’
‘Ik wist dat ik klaar was. Maar er miste iets…
Ik heb haar hoger gehangen, en lager, maar dat was het niet.’
‘Je hebt de zeemeermin hoger en lager gehangen, bedoel je?’
‘Ja, het beeld… niet Ana.’
‘Ik was moe, en vies. Ik had de hele dag doorgewerkt in de brandende zon, het was drukkend.
Ik was klaar, maar niet tevreden. Het beeld was niet af, er miste iets.’
Zo, doe daar maar eens iets psychologisch mee. Een mislukte relatie, een relatie waar iets aan schort, iets dat niet te benoemen valt.
‘Ik wilde niets meer toevoegen, dat kon ook niet meer; ik had alleen nog een aluminium vlaggestokhouder, en een aluminium kampeerpannetje. Daar kon ik echt niets meer mee redden.’

‘Ik had geen zin om te praten. We dronken rosé en keken naar het weerlichten achter de Lance.
Af en toe dacht ik een onweersklap te kunnen horen rollen. Maar het geluid van de krekels rond de caravan won het keer op keer van de donder…
Het was bladstil. Soms zag je de kam van de Lance afsteken tegen de oplichtende wolken in het Rhône-dal.’

‘La Deaume. Het regent er vrijwel nooit. Een paar keer per jaar valt er een flinke bui.
Maar soms, heel soms, is het raak. Echt raak.
Chemin de Prés werd vier jaar geleden, op last van de prefect, gesloten en ontruimd.
Zeven caravans waren meegesleurd door het water.
Je kunt het je gewoon niet voorstellen, de bedding van de beek ligt normaal gesproken een etage lager dan het gebouwtje met het sanitair.
Ook Ana’s caravan was gaan drijven, maar haar streamliner was niet meegesleurd door de ziedende stroom. Philippe had de sleepkabel van z’n Mercedes tussen de caravan en een olijfboom gespannen om de was te drogen…
Alleen de caravans die dicht bij het toiletgebouw stonden, waren er zonder waterschade vanaf gekomen.
Alles moest weg, het terrein werd ontruimd.
Ana mocht als enige blijven, ze had een soort eeuwigdurende erfpacht.
Vanaf die zomer had ze het rijk voor zich alleen. De beheerder vond alles best, zolang hij maar niets hoefde doen.
Ze versleepte haar aluminium caravan naar het hoogste punt van het terrein. Daar staat ‘ie nu, niet ver van de wc’s in de luwte van een plataan.
Stromend water was er al snel niet meer. Ze mocht blijven, maar zonder voorzieningen.
Philippe is er nooit meer geweest.’

‘Ik kon het geluid niet thuisbrengen voordat het zich herhaalde. En herhaalde.
Voordat het zich verduizendvoudigde. Hagel.
Een oorverdovende percussie op het metalen dak van de caravan.
We vluchten naar binnen, hagelstenen in onze glazen.
Die nacht lagen we wakker, lepeltje lepeltje. We luisterden naar het rondwarende onweer, soms opgeschrikt door een dreun in de buurt.
Een knetterende klap recht boven de camping, deed m’n lichaam in elkaar krimpen. Een onwillekeurige, parende beweging.
L’orage provençale. Luisterend naar het dak, in een poging het moment te kennen waarop het geluid van de regen overgaat in dat van een nadruppende plataan, en omgekeerd.
Geen gesproken woord. Een slok rosé. Mijn arm rond Ana’s middel, mijn hand op haar borst.
Toen ik wakker schrok, was ze weg. Ze lag niet naast me.
Ik snurk. Ana lag in het logeerbed; oordoppen in.
Zelf maakt ze geen geluid. Je hoort haar niet ademen. Ik luisterde, maar het enige wat ik hoorde was de schemering.’

‘Een paar afgewaaide takken en wat plassen op de steenachtige grond vormden het bewijs dat ik niet had gedroomd. Het was net licht, en nog fris.
Ik liep over de verlaten camping om te zien welke schade het noodweer had gebracht.
Behalve de takken en de plassen was er niets bijzonders te zien. Maar het geluid.
Het geluid was anders. Hoe kon ik dat gemist hebben net, op m’n rug, luisterend?
Ik liep naar de beek. Daar hing ze. M’n meermin, draaiend en tollend in haar strop.
Een gehangene in doodsnood. De buiten z’n oevers getreden beek voerde haar staart mee.
Haar hoofd draaide voorbij, een snelkookpan met ogen vol water.
Even keek ze me aan. Van regen doorlopen ogen en een van water vertrokken mond.
Het beeld was af. Het was een beeld van water.’

Ik nam een slok van m’n koffie. Lauw. Ik zat ook alweer een hele tijd te praten.

‘Zoals ik al zei, ik had nog twee stukken aluminium over. Een vlaggestokhouder om aan de muur schroeven, en een aluminium pannetje.
Toen Ana naar de stad was om brood, kaas en wijn in te slaan, heb ik de fitting uit een WC-lamp gedraaid. Er was daar toch al lang geen stroom meer.
De vlaggestokhouder maakte ik ondersteboven vast boven de deur van de caravan. Het pannetje als een lampenkap er tegenaan.
Het zag er goed uit…alsof het buitenlampje er altijd had gezeten..
Ik stelde me voor dat het lampje het kampeerterrein zou verlichten, zoals Van Gogh het caféterras in Arles had verlicht op z’n schilderij.
Ana kwam terug met vijgen, verse olijfolie, droge worst, knoflook, gedroogde tomaten, lamsvlees, verse kruiden, geurige kazen, rode wijn, rosé, pastis en WC-papier.’

‘Ze keek naar het lampje boven de deur. Woedend was ze. ‘Weg ermee’, zei ze.
Eén keer eerder had ik haar zo boos gezien.
Met een krijtje had ik ‘Oh oh, die zee’ onder de naam van haar Tjalk gekalkt.
‘Weg ermee’, had ze ook toen gezegd.
M’n handschrift ging er op zich goed af, maar juist de week ervoor had ze de boeg van haar schip opnieuw in de teer gezet. Nog niet helemaal uitgehard, waarschijnlijk.
Als je het wist, en als je het wilde zien, bleef er onder de DE ODYSSEE een zweem van krijt zichtbaar.
De week erop heeft ze de hele boeg opnieuw geteerd.’

‘Ik heb de vier klinknagels boven de deur van haar caravan uitgeboord en het lampje weggehaald. Het ligt nog ergens in de opslag.… misschien wel leuk als leeslampje in m’n kamer?’
‘Bleef ze lang boos?’
‘Wat is lang…Ze heeft twee dagen niets tegen me gezegd. Me doodgezwegen.’
‘Twee dagen?’
‘Ja. Ze heeft twee hele dagen gefotografeerd. Voor dag en dauw op pad. Zonder mij.’
‘Heb je enig idee waarom ze zó heftig reageerde? Het was toch goed bedoeld, dat lampje?’
‘Het was lief bedoeld.
Als ik had geweten wat er die dag gebeurde daar in La Deaume, dan was ik haar niet kwijtgeraakt. Als ik het wist, was ze nog hier.’

Deel 1.5 Schoenen

‘Je hebt op een gegeven moment een straatverbod gekregen.’
‘Ja.’
‘Vond je dat terecht?’
‘Ja.’
‘Ja?’
‘Ja.’

‘Ik had verwacht dat dit een lange sessie zou worden.’
‘Dat kan nog.’
‘Waar zou je het over willen hebben?’
‘Schoenen.’
‘Over schoenen?’
‘Ik vertel je een verhaal, en dan vertel je mij na afloop of het echt gebeurd is. Of niet.’
‘Dat is niet helemaal de bedoeling.’
‘Niet?’
‘Nee, maar goed, vertel maar.’

‘We kwamen in Antwerpen langs een winkeltje met tweedehands schoenen.
Vintage Footage heette het.’
‘Wanneer waren jullie daar?’
‘Met Pasen. Het was zomers warm. Zo frustrerend als de aanloop naar Goede Vrijdag was,
zo mooi waren de dagen in Antwerpen.’

‘Ana moest natuurlijk naar binnen. Het was een leuke winkel en een leuke verkoopster.
Maar niet voor mij.
Om de hoek was een espressobar, met een terras. Krantje erbij. Ik wilde wat gaan schrijven in het schetsboek dat Ana me had gegeven toen we uit Groningen weg reden.
Een maagdelijk schrift. De eerste pennestreek kon wel wachten.
En de krant? Ach, de krant. De zon scheen, de koffie smaakte goed.
Na drie espresso’s en een wafel stond ik op en liep ik terug naar de winkel.’

‘Ze vinden dat ik op een filmster lijk uit een spannende film.’
Ana straalde.’
‘Op de canapé voor de etalage zat een meisje. Net als Ana omgeven door een stapel geopende schoenendozen. Haar vriend zat er naast. Op een krukje.
“Maggie Gyllenhaal”, zei hij.
Ik kneep Ana zachtjes in haar nek.
“Dames en heren”, zei ik, “dit ís Maggie Gyllenhaal.”
Ana straalde. Ze keek naar de verkoopster.’

‘Ik had nog nooit van Maggie Gyllenhaal gehoord.
Toen ik haar later googlede bleek er een vebluffende gelijkenis te zijn.’
‘Ja?’
‘Ja. Het zijn allebei mooie vrouwen.
De verkoopster keek naar Ana. Ze straalde.
Tijd voor meer koffie. Je moet weten wanneer je teveel bent.’

‘Nog drie kwartier was er nodig om een keuze te maken.
Nooit weer heb ik Ana zo blij gezien, haar oude schoenen in een tasje van Footage.
We slenterderden verder, door de Hortus, in de richting van de Schelde.
Ik zei niets, wachtte af.
“Wat een mooie vrouw was dat”, zei Ana uiteindelijk.
Ik keek haar aan. Ze bloosde.
“Daar wordt ik gewoon blij van’, zei ze.
“Ik ook”, zei ik.
“Het is gewoon fijn dat er zulke mensen zijn”, zei Ana. “Wist je dat ze fotografeert en exposeert.”
“Nee”, zei ik, “dat wist ik niet. Ben je verliefd?”, vroeg ik.
“Verliefd? Waarom moet jij er gelijk weer etiket op plakken?”, zei Ana. “Het was gewoon een ontmoeting.”
“Geen etiket”, zei ik. “Gewoon een vraag. Verliefd?”
“Een beetje.”

‘Ik keek naar Ana’s tasje, met haar oude schoenen.
“Zal ik haar bellen en vragen of ze vanavond na haar werk naar ons appartementje komt?”
“Nee, dat durft ze toch niet.”

‘We hadden een kamer aan de Marnixplaats. Een statig uitgeleefd pand, met een oude tuin vol kersenbloesem en ontbijt in de serre.
In werkelijkheid was de slaapkamer net zo over-de-top romantisch als op de foto’s op internet.
Een schouw met de buste van Maria op een geklost kleedje omgeven door een schare kandelaars.
Het kaarslicht weerspiegeld in een weelderige, verweerde spiegel.
De staande lamp, die zo van een rommelmarkt leek te zijn weggelopen.
De gehaakte beddesprei en de mint-groene spijlen aan het voeteneinde van de twijfelaar.’

‘Op Witte Donderdag vluchtte Ana weg naar het Hogeland. Weg. Op haar fiets.
Onbereikbaar. Haar mobiele telefoon had ze uitgezet.
Op m’n voice-mail stond dat ze het niet durfde. Dat ze het niet kon.
Ze had nog een keer op internet gekeken, en ze kon het niet, zei ze.
Samen slapen in zo’n klein bed.’

‘Ik propte het matras van m’n lit jumeau dubbelgevouwen onder de voorklep van m’n kever en wachtte af.
We gingen toch.
Ana was de helft van haar spullen vergeten. Haar shampoo en de lingerie die ze speciaal voor Antwerpen had gekocht. Het zou toch een mislukking worden.
De conciërge keek wel een beetje raar toen ik mijn eigen matras de smalle steile trap opzeulde.
Welk verliefd stelletje wil er nou niet in een twijfelaar slapen?’

‘Toen we weer thuis waren heb ik de schoenenzaak gebeld.’
‘Waarom?’
‘Ana was een paar weken later jarig.’
‘Ja?’
‘Ja.’
‘Waarom belde je?’
‘Ik heb Maria gevraagd of ze m’n cadeautje voor Ana’s verjaardag wilde zijn. Maria heette ze’
‘Je hebt haar gebeld? Echt?’
‘Dat was nou juist de vraag.’
‘Hoe reageerde ze? Wist ze wie je was?
‘Ja, ik vroeg haar of ze zich Maggie Gyllenhaal herinderde.’
‘En?’
‘Ja, die herinnerde ze zich heel goed. We waren een tof koppel, zei ze.
‘Hoe reageerde ze?’
‘Ze giechelde. Het was het meest wonderlijke aanzoek dat ze ooit had gehad, zei ze.’
‘Dat kan ik me voorstellen.’
‘Ze zou er over nadenken, zei ze.’

‘Hoe reageerde Anna?’
‘Ze geloofde me niet. Daarna werd ze boos.
Ze zei dat ik moois en puurs had bezoedeld.’
‘En was dat zo?’
‘Als Ana haar had gebeld, was ze gekomen.
‘Heeft Anna haar gebeld?’
‘Niet dat ik weet. Ik was niet op haar verjaardag.
Als ze Maria had gebeld, was ze komen logeren. We zullen het nooit weten. Althans, ik niet.’
‘Maar heb je iets puurs bezoedeld?’
‘Misschien. Misschien niet.’

‘Ik was er niet bijgebleven.
Je moet weten wanneer je teveel bent.’

Deel 1.6 Poezie

Twee keer ging ons gesprek niet door
De eerste keer had ze griep, de tweede keer was het vanwege familie-omstandigheden.

Ze zat aan haar koffie, en zag er moe uit.
‘Gecondoleerd’, zei ik op goed geluk.
Ze keek me vragend aan.
‘Familie-omstandigheden’, zei ik.
‘Ik ben vorige week vrijdag getrouwd’, zei ze.
Onwillekeurig strekte ze de vingers van haar linkerhand.
‘Zilver?’
‘Witgoud.’ Plotseling realiseerde ze zich dat ze geen vriendin tegenover zich had, maar een patiënt. Ze vouwde haar handen voor zich op tafel.
‘Wat leuk voor je’, zei ik. Was je in het wit?’
‘Creme’, zei ze, en roerde in haar koffie.

‘Is Ana ooit getrouwd geweest?’
‘Niet dat ik weet’, zei ik. ‘Ze heeft wel veel relaties gehad.’
‘Ja?’
‘Tientallen.’
‘Oke.’

‘Wie is er bij jullie eigenlijk over begonnen?’
‘Daar zijn de meningen over verdeeld.’
‘Was het een reden om van mening te verschillen?’
‘Nee. Nee, het enige wat ik zeker weet, is dat ik op een dag een kaart van haar kreeg.
Een foto van Araki. Uit een boek geknipt en over een ansichtkaart heen geplakt.
“Wat doet dit met je?” Dat was het enige wat er op stond.’
‘En wat deed het met je?’
‘Van alles.’
‘Wil je er iets over vertellen?’
‘Een andere keer misschien.’
‘Oke’

‘Je vertelde dat Anna goed kon schrijven. Wat was daar zo bijzonder aan?’
‘Ze schrijft onwaarschijnlijke gedichten. IJle taal.’
‘Publiceerde ze?’
‘Ja, af en toe. Op het internet. Ze had een weblog.’
En haar kookboeken natuurlijk. Heerlijk.
Maar ze schreef vooral in haar dagboeken.’
‘Die zijn nooit gevonden.’
‘Dat heb ik begrepen. Mijn boerderij is twee keer overhoop gehaald.’
‘Liet ze je er wel eens in lezen?’
‘Nee, ik weet niet eens hoe haar dagboeken er uitzien.’
‘Maar ze bestaan wel?’
‘Ja, ze bestaan wel. Ze mailde me wel eens een ingescande pagina.

‘Ze schreef ook wel eens iets in mijn schetsboek.
Met potlood. HB. Voor haar verjaardag heb ik Ana een doosje met twaalf potloden gegeven.
Als ik stond te douchen, of te koken, als ik het niet in de gaten had, maakte ze schetsen in m’n blok. Of ze schreef een gedicht.
Prachtige gedichten. Die las ik dan later pas.’
‘Ken je ze uit je hoofd?’
‘Ja natuurlijk.’
‘Kun je een gedicht voordragen?’
‘Nee, dat kan niet. Het zijn lees-gedichten.’
‘Lees-gedichten?’
‘Ja, lees-gedichten.’

‘Heb je een pen voor me?’
Ze haalde haar vulpen uit een la.
‘Ana had drie poezen wist je dat?’
‘Ja.’
‘Ze zijn alledrie verdwenen.’.
‘Ik weet het.’
‘Heb jezelf poezen?’
‘Nee, ik ben allergisch voor katten.’
‘Ik ook. Toch sliep ik met Risotto op m’n buik.’
Risotto? Dat was een van haar katten?’
‘Ja. Ardbeg, Risotto en Plumeau.’

‘Ardbeg is Ana’s favoriete whiskymerk. Hij heeft de kleur van zonnend graan.
Plumeau heeft een staart als een witte suikerspin.
Risotto is de deugniet. Hoe vaak hij onze chat niet heeft verstoord.
Qwxftgvj\yokmlp
Dan liep ‘ie van links naar rechts over het keyboard.
Soms ging hij op Ana’s toetsenbord liggen snorren…Aandacht.’

‘Ik schonk mezelf dan nog maar een glaasje wijn in, en wachtte tot Ana de chat hervatte. Steevast met: “Ben ik weer :-)”
Risotto was haar lieveling, en ook de mijne. Ik had nooit gedacht ooit iets met katten te zullen hebben… Maar ja, het waren Ana’s katten.
Ik sliep in de woonkamer toen. Omdat ik snurkte.’
‘Toen? Niet meer?’
‘Nee, niet meer. Er is veel veranderd.’

‘Ana dekte me toe, ze zat naast me op het matras… De houtkachel gloeide na…
We waren rozig van de wijn, en van de hitte van de haard.
“Tot morgen.”
“Tot morgen.”
Als Ana in bed lag begonnen haar katten te donderjagen…
kattenluik in, kattenluik uit…
Ik overdacht de dag. Een dag met Ana.
Ik voelde hoe Risotto’s pootjes m’n lijf aftastten, totdat hij zich snorrend op mijn borst nestelde.
Een rustgevend gevoel, en een rustgevend geluid. Als een blok viel ik in slaap.
Een duet voor snorren en snurken.…’

Ik roerde even in m’n kopje terwijl er eigenlijk niets te roeren viel.
Zwart is zwart. Waarom zat er een lepeltje bij?
Zou ze werkelijk denken dat ik een gedicht dat Ana me had toevertrouwd zou laten lezen?
Zoiets doe je niet.
Het is het dubbelgevouwen briefje dat onder de schoolbanken door, van achteruit de klas naar voren wordt gesmokkeld. Het is voor jou bedoeld. Je leest het. Je leest het als de leraar met z’n rug naar de klas staat.
Je stopt het in je agenda, om het nog vaak te herlezen. Nooit zal je vertellen wat er in stond.
Zo’n briefje is geheim.
Ik begon te schrijven, het was lang geleden dat ik een pen in m’n hand had gehad.

Ardbeg, Risotto en Plumeau

Wil je voor m’n poezen zorgen
als ik ooit opeens vertrek?

Ik ga niet nu, en ook niet morgen,
maar ‘k moet teruggaan naar de plek

waar ‘k mezelf ooit ben verloren.
Ik weet niet waar, ik weet niet hoe.

Mocht je niets meer van me horen,
dan was ik té ontzettend moe.

Ardbeg, Risotto en Plumeau

Mogen ze bij jou gaan wonen,
als er hier geen thuis meer is?

Als ze me zoeken en niet vinden,
zeg dan maar dat ik ze mis.

Ze las wat ik had geschreven.
En ze herlas het.
‘Heeft Anna dit geschreven?’
‘Ja.’

‘Zullen we het hier volgende keer over hebben? Daarna ben ik er twee weken niet.
Vakantie.’
‘Oke. Waar ga je heen?’
‘Frankrijk.’
‘Lekker.’
‘Ja. Als je wilt, kun je tijdens m’n afwezigheid met m’n collega spreken.’
‘Nee dank je, ik wacht wel tot je weer terug bent. Ik neem ook gewoon even twee weken vrij.’
‘Goed’, zei ze. Ze glimlachte. ‘Ik moet helaas vandaag eerder weg.’

Ze stond op, en opende de deur.
‘Wist je dat Ana in een club werkte? Voordat ik haar leerde kennen.’
‘Een club?’
‘Ja, een club. Ben je met je nieuwe man in het verleden nooit eens naar een club geweest?’
Ze sloot de deur, maar bleef staan waar ze stond.

‘Ik weet niet of ik je goed begrijp. Beweer je dat Anna in een sexclub werkte?’
‘Ja.’
‘Maar ze had een relatie.’
‘Ja.’
‘En wist haar ex ervan?’
‘Nee.’
‘En werkte ze daar ook in de periode dat jullie samen waren?’
‘Misschien. Ze loog over alles wat los en vast zat.’

‘Dus je zegt dat ze sex had met andere mannen. Voor geld?’
‘Nee. Ze had geen sex. Ze spéélde met mannen.’

Ik stond op en liep naar de deur.
‘Zullen we het er volgende keer over hebben?’
Deel 1.7 Valentijnsdag

‘Ana wilde niet dat je bij haar sliep?’
‘Nee.’
‘Omdat je snurkte?’
‘Dat was een mooi excuus. Ik zou ook niet naast een snurkende vrouw willen slapen.’
‘Maar?’

‘Ze wilde niet dat iemand zag hoe bang ze was.’
‘Waar was ze bang voor?’
‘Voor de nacht. Ze was uitgeput, maar ze was te bang om te gaan slapen.
Ze zwief door de stad, of over het Internet.
We dronken heel erg veel wijn, tot diep in de nacht.
Als ik naar bed ging, zei ze dat ze nog een Ardbeg nam. Urenlang draaide ze Laurie Anderson.’

‘Soms ging ze weg als ze hoorde dat ik sliep.
Dan schrok ik wakker van de deur die ze zachtjes in het slot trok.
Op een morgen kwam ze terug na een zwaar onweer.
Ze was doorweekt. Haar tepels priemden door haar nachthemd.
Het was alsof ze slaapwandelde. Ze zei niets. Ze leek niets te horen.
Voor de blik in haar ogen heb ik nooit een woord gevonden.
Een half uur had ik naar haar lopen zoeken. In de stromende regen. Er was niemand op straat geweest. Nat en koud was ik weer in bed gekropen. Radeloos.’

‘Ze rilde en dronk whisky.’
“Neem een slaappilletje.” zei ik. “Als je niet slaapt, is alles tien keer erger.
Je moet gewoon slapen.”
“Ik heb geen pillen”, zei ze.
“Ik heb wel iets”, zei ik. “Iets onschuldigs, zonder recept.”
‘Ze wilde er niets van weten.’
“Leg dan een slaappilletje bij je bed”, zei ik. “Met een glas water ernaast.
Je hoeft het niet te nemen. Maar het idee dat je het kúnt nemen, helpt je misschien te slapen.”
‘Ze keek me aan en schudde haar hoofd. Elke maand verrekte ze van de buikpijn, maar een asprientje nam ze niet.’

‘Wat had ze tegen pillen?’
‘Ze heeft het nooit met zoveel woorden gezegd, maar ik denk dat ze ooit verplicht medicijnen heeft moeten slikken.’
‘Aha. Ja, dat kan.’

‘En dan?’
‘Dan wat?’
‘Hoe gingen jullie dan verder? Na zo’n nacht.’
‘Ik werd wakker van het ruisen van Ana’s kamerjas. Zijde.
Als een ballerina stapte ze over me heen. Op haar tenen liep ze naar de keuken.
Dan hoorde ik het geluid van de elektrische koffiemolen. Een wekker.
De geur van vers gemalen bonen.
We zaten aan de grote houten tafel en keken naar de snaterende eenden buiten.
Koffie en een boterham met hagelslag.’

“Nu weet je het hè?”, zei Ana. “Nu ga je weg hè?”
“Nu weet je het hè? Nu ga je weg hè?’

‘Dat zei ze?’
‘Ja, dat zei ze.’
‘En dat herhaalde ze?’
‘Ja, ze herhaalde het. Als een mantra.’

‘En wat zei je dan?’
‘Ik zei dat ik haar misschien ooit wel eens zou verlaten. Maar niet naar aanleiding van deze nacht.
Om iets anders misschien. Iets wat we nog niet vermoedden.’
‘Zoals wat?’
‘Geen idee, ik was niet van plan bij haar weg te gaan.’

Ik stond op en liep naar het raam.
Het raam kon niet open. Buiten was het lente.
Ik keek naar beneden. Op de binnenplaats stonden twee grote kersenbomen.
De een was wat verder in knop dan de ander.
Nog twee weken, dan zouden ze in bloesem staan.

De kliniek moest wel zijn gebouwd op de plek waar ooit een boomgaard had gestaan.
Het gebouw is spiksplinternieuw, de bomen zijn oud.
Nog twee weken, dan komen de zwaluwen.
Elk jaar wachtte ik vol spanning op hun komst. Ze kwamen nooit samen.
En nooit kwamen ze voordat de kersenboom in bloei stond. Een roze fakkel naast de stal.
De zwaluw die als eerst arriveerde, zat soms dagenlang te wachten. In de kersenboom.
Dan opeens. Gekwetter. Een hereniging.
Ze sliepen naast elkaar. Op een tak tussen de bloesemblaadjes.’

‘Speel je piano?’, vroeg ik.
‘Ja.’
‘Ana ook.’
Ik draaide me om, en ging in de vensterbank zitten.

‘Toen we elkaar pas kenden, hadden we ruzie.’
‘Waarover?’
‘Nergens over. Het ging nergens over. Nou ja. Dat dacht ik.
Twee weken later mailde ik Ana dat ik rommelmarkten af ging struinen. Of ze meeging.’
‘Jullie hadden elkaar twee weken niet gesproken?’
‘Ja.’
‘Wat zei ze?’
‘Ze mailde terug dat ze meeging.
Later vertelde ze me dat ze net thuis was toen m’n mailtje binnenkwam.
Ze was bij een man blijven slapen. Haar kleren had ze net in de was gedaan.
Het was Valentijnsdag.’

‘Aan het eind van de middag zat m’n kever vol meubeltjes en keukengerei.
Een botervloot en een porceleinen zeepbakje. En een Le Creuset braadpan.
Ze spaart Le Creuset pannen, wist je dat?’
‘Nee, dat wist ik niet.’
‘Kon je ook niet weten. Ze spaart ze voor haar cateringbedrijf.
Zó blij was ze ermee. Het was nog net geen paar vintage-schoenen, maar het scheelde niet veel.’

‘Achterin een loods vonden we het binnenwerk van een piano.’
‘Het klavier?’
‘Nee, niet de toetsen, alleen de hamertjes en de heveltjes.’
‘Oke.’
‘De hamertjes zijn beplakt met vilt, het zijn net kaarsjes. Kaarsjes met een vilten vlammetje.’
‘Ja, ik weet het. Ik weet hoe de hamertjes eruit zien.’
‘Ik heb er een kerstboom van gemaakt, met 88 kaarsjes.’

‘Het hele mechanisme was ingeklemd tussen twee gietijzeren frames.
Die zitten in bijna elke piano, trouwens. Wist je dat?’
‘Nee.’
‘Eentje links en eentje helemaal rechts.
Het zijn net vogels, met een kop en met een staart.
Toen ik het binnenwerk had gesloopt, bleven de frames over.’
‘Oke.’
‘Er bleven ook twee stalen beugeltjes over.
Met een beetje goede wil kon je daar twee vleugels in zien.’

‘Ik heb er een beeld van gemaakt. De twee gietijzeren vogeltjes, dicht tegen elkaar aan.
Twee zwaluwen met samen twee vleugeltjes.
Beiden vleugellam. Op elkaar aangewezen.
Ik schroefde het beeldje op een dode tak in de kersenboom.
Soms zaten er echte zwaluwen naast, op dezelfde tak.
Vanwege de onderdelen heb ik het beeldje Felicita Piana genoemd. Stil Geluk.’

‘De kersenboom ging dood.‘
‘Kwam dat door het beeldje?’
‘Nee. De boom was oud. En ziek.’
‘In het voorjaar heb ik ‘em omgezaagd. Nu staan er frambozen. Ook lekker.’
‘En het beeldje?’
‘Dat heb ik aan Ana gegeven. In bruikleen.
Ze vond het mooi, en ze vroeg of ze het mocht hebben.’

‘Ik heb het op een meerpaal geschroefd, naast haar tjalk.’
‘Zitten ze daar nog, die zwaluwen?’
‘Nee, ze zijn weg. Waarschijnlijk zijn ze door de klap van de explosie van de paal geblazen.
Misschien ligt het beeldje wel op de bodem van de Hoge de A.’

Laurie Anderson – Bright Red
‘Did she fall, or was she pushed?’

1.8 La Deaume [slot]

Ik had de vraag gekregen of ik eerder wilde komen.
Er was iets aan de hand, dat was wel duidelijk.

Ik stapte de spreekkamer binnen. Er stond een man bij het raam.
Hij keek naar buiten. Zouden de kersenbomen in bloei staan?
Ze zat achter haar bureau. Er lagen twee schetsblokken op tafel. En een stapeltje papieren.

‘Dit is mijn collega’, zei ze.
De man draaide zich om, gaf me een hand en stelde zich voor.
Ik heb zijn naam niet onthouden.

Ik ging zitten.
‘Je wilde je schetsboek terug hebben, nietwaar?’
‘Ja, ik wil graag verder schrijven.’
‘Dat kan niet, helaas. Het is bewijs.
Ik heb een nieuw schetsboek voor je gekocht, en kopietjes gemaakt van je oude boek.’
‘Dankjewel. Dat is heel aardig van je.
Hoe was je vakantie?’
‘Daar wilde ik het over hebben. Ik ben in La Deaume geweest.’
‘O ja? Mooi is het daar hè?’
‘Ja, het is er heel erg mooi.
Maar je kunt het in La Deaume niet zien weerlichten in het Rhône-dal.’

‘Nee, dat klopt, dat kan niet.’
‘Je bent nooit in La Deaume geweest.’
‘Nee. Je hebt gelijk, ik ben er nooit geweest.’
En er zijn meer dingen die je hebt verteld, die niet echt zijn gebeurd.’
‘Ja, dat klopt.’

‘M’n collega neemt het van me over.
Ik denk dat het beter is dat je voorlopig met iemand anders praat.’
‘Oke.’
‘Ik moet rapport uitbrengen over onze sessies.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Ik zal rapporteren dat je empathisch bent, en niet agressief.
Maar ook dat je gedrag trekken vertoont van dat van een pathologisch leugenaar.
Dat je gelooft dat wat je vertelt ook werkelijk waar is.’
‘Denk je dat?’
‘Ja, dat is mijn professionele mening.’

Ze stond op, en pakte haar spullen bij elkaar.
Ik stond ook op. Ze gaf me een hand.
‘Ik wens je geluk. Ik hoor van m’n collega wel hoe het ermee gaat.’

Bij de deur draaide ze zich om.
‘Je schrijft mooie gedichten.’

Zachtjes deed ze de deur achter zich dicht.
Ik ging weer zitten.
Haar collega ging tegenover me zitten.
‘Staan de kersenbomen al in bloei?’, vroeg ik.
‘Ik zou het niet weten’, zei hij. ‘Koffie?’

Ik schudde van nee.

La femme fantôme is een drieluik.
1.8 is het slot van het eerste deel.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s