De Grens – deel 2

De Grens – deel 2 van 4
Deel 1 gepubliceerd op 23 maart 2010
 

De Grens – deel 2

 

 
Als ik ’s ochtends wakker werd en uit het zolderraam keek, stond ze al bovenop de dijk,
uitkijkend over het wad, of over de zee. Een dienblad met koffie op schoot, een boterham met hagelslag in de hand.
 
Je kon ook ontbijten in de sluiswachterswoning. Speciaal voor wadlopers, wanneer het ’s morgens erg vroeg eb was.
Het waren lange, drukke dagen. Ze reed af en aan van de keuken naar het terras, tapte, serveerde, en maakte de heerlijkste tapas. Met bladen vol glazen, reed ze slalommend tussen de tafeltjes door. Sierlijk, als een vis in het water.
 
Ver na de laatste ronde, als alles aan kant was, dronken we een fles wijn, en keken we naar de vlammen in het buitenkacheltje. Soms spraken we, vaak niet.
Ze was jarenlang scheepskok geweest. Dat ze aan land was gaan werken had ongetwijfeld met haar rolstoel te maken.
Wat er gebeurd was, wilde ze niet zeggen. De keren dat ik er naar vroeg, gaf ze gewoon geen antwoord. Gevangen in een net van heimwee.
Op een gegeven ogenblik vraag je er niet meer naar.
 
Als de fles leeg was gingen we naar bed.
Onderaan de trap boog ik me voorover, en kuste ik haar.
“Slaap lekker.”
“Slaap lekker”, zei ik, en klom de trap op naar m’n zolderkamer.
 
Op een dag werd ik wakker van haar stem onderaan de trap.
“Opstaan luiwammes, we gaan ontbijten op het wad.”
Toen ik half-aangekleed beneden kwam, zat ze al buiten in de zon, een picknickmand op haar schoot.
Ik strikte de veters van m’n bergschoenen, terwijl Madison de terrasdeuren op slot draaide. GESLOTEN.
 
Pas toen we al een heel eind het wad op waren, en het echt slikkerig begon te worden, liet ze me haar helpen.Ik duwde; zij rukte haar velgen ritmisch omhoog uit de klei . 
Haar gespierde armen, krachtig, als zuigerstangen van een stampende machine.
Toen we naar haar zin ver genoeg uit de kust waren, waste ze haar handen met water uit een meegenomen flesje. Ze zette de mand naast zich in het kleierige gras.
De meegebrachte etenswaren stalde ze uit op haar schoot, alsof ze een tafel dekte.
Een feestmaal voor twee. De over haar onderlichaam geslagen deken deed dienst als tafelkleed.
Een kop koffie, een bagel, een stuk ontbijtkoek, en een boterham met hagelslag.
 
We namen een omweg terug naar de dijk. Daarvoor moest ik haar wel door een slenk heen sleuren. Schoenen uit, broekspijpen omhooggestroopt, trok ik haar achteruit door de bagger aan de overkant het hogere land weer op. M’n broek was tot aan m’n liezen doorweekt. Ik trok ‘em uit en hing ‘em te drogen over een chromen stang van haar stoel.
Ik trok m’n bergschoenen weer aan, en liep in m’n onderbroek achter haar aan.
 
Aan deze kant van de geul graasden schapen.
Ze reed voor me uit. Honderd meter verderop hield ze stil, angstig dicht bij de rand van de slenk. Ze hing schuin uit haar rolstoel, om in het water te kunnen kijken.
Het water was diep hier, of liever gezegd, de wallekanten waren hoog. Hoog en steil.
Als je hier zou moeten oversteken, zou je tot je middel door het water moeten waden.
Pas toen ik naast haar stond, zag ik waar ze naar keek. Zwijgend keken we naar het dode schaap dat onder water dreef.
Een dooie ooi. Moe gestreden in haar pogingen tegen de steile wand op te klauteren.
Uitgeput, verdronken. Te stom om onze oversteekplaats te vinden.
Haar wollen vacht opgezwollen als een tampon in een glas water. Of was het haar buik die bol stond van ontbindingsgassen? Haar hoofd leek klein, zo net onder water.
Slechts een neusgat, een jukbeen en een verfomfaaid oor verstoorden het wateroppervlak.
Haar oogkas leeggepikt; een sliertje slijmerig bloed verspreidde zich als een trage rode olievlek over het water.
 
“Toch is het ook heel mooi”, verbrak ze de stilte. “Je zou er een foto van moeten maken.”
“Ik heb m’n camera niet bij me”, zei ik.
“Ik héb een camera”, zei ze, als vanzelfsprekend, en opende haar picknickmand.
Ze haalde een fototoestel tevoorschijn, het leek verpakt te zijn in een plastic bubble.
“Wat een apart ding”, zei ik.
“Het is een onderwatercamera.”
Ik trok m’n schoenen en onderbroek uit, en stapte het water in.
Het water kwam inderdaad tot aan m’n middel. Met de camera voor m’n kruis richtte ik onder water op het dobberende schaap.
“Schiet maar vol”, zei ze.
 
Toen we bovenop de dijk aankwamen, zagen we dat er mensen op het terras
zaten.

Hoewel het al aangenaam warm was, hadden ze hun jassen nog aan.
Ze wachtten af. Wachtten of het café dan misschien om tien uur open zou gaan.
Jas aan, klaar om te vertrekken.
Madison stortte zich de dijk af.
Ik liep het terras op en knikte naar de gasten. Door de openstaande deuren kwam de geur van verse koffie me tegemoet.
 
Noch haar camera, noch de foto’s die ik onderwater maakte heb ik na die dag terug gezien.
 
 
 
 
 
 
 

This entry was posted in VKblog and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

2 Responses to De Grens – deel 2

  1. Jezzebel says:

    Wat ontzettend mooi.
    Heel erg aanbevolen.
    Wat een verhaal.
    Ik hou van deze intimiteit.
    .

  2. Jezzebel says:

    Weet dat ik luister.
    Benieuwd naar meer.
    .

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s